Ga vooruit, kijk niet om

Een column over mijn moeder Rebecca Ong, geschreven voor het magazine Bersama

Of het zin heeft, boos zijn op je ouders om wat je als kind tekort kwam? Misschien. Maar boosheid is vooral, net als blijheid, angst en bedroefdheid, maar een emotie. Die wil eerst erkend worden, de rest volgt mogelijk later.

Richting mijn overleden vader Jan kan ik, terugkijkend, woede ervaren, maar boos worden op mijn moeder Rebecca zit er niet in. En juist dat zou zin kunnen hebben, want zij is springlevend. Haar kinderen weten allemaal dat ze, op zoek naar veiligheid, ook dáár soms misgetast hebben. 

Het verhaal van mijn moeder, van overleving in letterlijke zin, van gedwongen aanpassing, van onvermijdelijke opoffering, is zo groot dat ik er alleen respect voor kan hebben. En zelfs dankbaarheid voelen, want blijkbaar is het haar gelukt om de meeste van haar trauma’s niet door te geven.

Geboren op 14 juli 1942 langs de weg bij Wlingi, Java. Dat kwam doordat mijn Chinese opa Ong Thjai Bo  zijn hoogzwangere, Nederlands-Indische echtgenote Hermine Ong, met hun drie zoons had weten te evacueren uit hun hoogst onveilige woonplaats Pamekasan, Madoera, waar de nieuwe bezetter kort tevoren was geland.

Het Japanse leger dat  een kleine vijf jaar ervoor ongeveer 300.000 Chinezen – soldaten, burgers, waaronder vrouwen en kinderen – tijdens een kortdurende orgie van geweld had afgeslacht in Nanking, de toenmalige Chinese hoofdstad. De soldaten hebben misschien wel voor hotel Patria gestaan, eigendom van opa en oma, en mijn achtergebleven opa gespaard omdat de vijand nu de westerling was en niet de Aziaat.

Mijn oma beviel dus op de vlucht, in een hutje, zonder arts, zonder verpleging, zonder partner. Ongetwijfeld kreeg ze hulp, maar dat moet me een angstige bevalling zijn geweest. Ook voor Rebecca, die al in de baarmoeder de waarschuwing moet hebben meegekregen: ‘wees welkom, maar ook op je hoede, ga vooruit enkijk niet om.’

Vele jaren later pas ontdekte ik in een therapeutische oefening dat ik daarin op haar lijk: nooit slachtoffer willen zijn, en daarom altijd in de actiestand staan. Aanpassen? Alleen als het moet, zodat mij niks kan overkomen. Voordeel: ik kom nog eens ergens. Nadeel: ik vind intimiteit lastig.

Maar Rebecca moest zich wel aanpassen. Er lag geen onbezorgde jeugd te wachten na de Japanse capitulatie in 1945. Want de Javanen, te beginnen met de Pemoeda’s, hadden weinig op met het Christelijke, Chinese, kwart Indische gezin Ong, dat in Malang een bestaan wist op te bouwen. Dat betekende anderhalf decennium op eieren lopen, tot in 1961 emigratie – of een vlucht –  naar Nederland het veiligst bleek.

Het gezin had meer trauma dan kleding in de koffers: de oorlog in al z’n complexiteit, twee jong overleden kinderen, een vader die de martelingen in Japanse internering amper had overleefd (en daar nooit meer over kon praten), het immer aanwezige anti-Chinese sentiment op Java, en op het eind de dreiging van bloeddorstige communistenjagers.

Op haar twintigste werd Rebecca verpleegster in Amsterdam, met als bijkomend voordeel dat ze zo het volle huis uit kon. Ze verloofde zich met student Jan Vos, maar merkte al snel dat diens Hollandse familie weinig op had met haar rijst versus hun aardappels, en haar vrije, inclusieve geloofsbeleving versus de gereformeerde, normatieve versie van de Vossen. Maar ze paste zich aan.

Tussen eind 1967 en midden 1971 baarde ze vier kinderen, waarvan ik de laatste was. Ze bleek getrouwd met een man van grote ambities, maar ook met een groot gebrek aan verantwoordelijkheid. Zo moest ze zich tot het uiterste strekken om het gezin draaiende te houden. Toch slaagde ze erin, naast het ter wereld brengen van twee latere Vosjes, een eigen vormgevingsbedrijf op te zetten en haar eigen koers te varen.

Gaandeweg wist Rebecca zich los te maken van wat haar tegenhield. Van normen en plichten die niet de hare waren. Maar vooral van het angstige stemmetje: ‘wees op je hoede, ga vooruit en kijk niet om.’  Ze zocht en vond hulp en liet zo haar heling niet aan het toeval en de tijd over. Ze leerde om bij zichzelf te blijven, en zo te begrijpen wie ze was. Niet onaangepast, maar wel soeverein.

Mijn eigengereide, speelse, handige, soms toch gehaaste, moeder. Bij wie ik nu alsnog de intimiteit vind die een kind nodig heeft. Hoe zou ik nog boos op haar kunnen zijn?

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑