‘Ik wilde niet dood, maar wist niet hoe te leven’

Op haar 20ste ging het met Kim (47) zo slecht dat zij besloot uit het leven te stappen. Omdat
maandag de Wereld Suïcide Preventie Week begint, wil ze vertellen hoe het zover kwam – en hoe het verder ging.

Door Nathan Vos. Dit artikel verscheen eerder in Mezza, het weekend magazine van het Algemeen Dagblad.

“Ik groeide op met veel ruzie in huis. Mijn ouders schreeuwden en kibbelden. Dat maakte  veel indruk op het kleine meisje dat ik was. Op mijn vijfde, zesde begon ik me terug te trekken. Ik probeerde me onzichtbaar te maken, zodat mijn moeder geen last van me had. Zij liet vaak blijken dat ze het zwaar had, want mijn broer was ziekelijk en had veel zorg nodig. In mijn kinderlijke logica besloot ik  zo weinig mogelijk ruimte in te nemen. Ik leefde in mijn eigen wereldje, sloot gevoelens als angst, verdriet en woede buiten. Huilen kon ik bijna niet meer – ik vind dat nog steeds lastig.

Ik gaf mezelf de schuld van alles. Het was makkelijker te denken dat ik geen aandacht kreeg omdat ik zo teruggetrokken was, dan te moeten beseffen dat mijn ouders tekortscho­ten. Natuurlijk was mijn moeder weleens lief tegen me, maar ik kon het niet echt aannemen. Dat zorgde ervoor dat ik in de jaren erna moeite had met het omgaan met andere kinderen. Ik durfde niemand tot last te zijn, en buiten de deur werd ik bovendien gepest, misschien juist omdat ik anders was dan de rest.

Op de basisschool heeft een lieve juf me een keer apart genomen, omdat ze zag dat ik vaak huilend en overstuur op school kwam. Dan had ik blijkbaar woorden gehad met mijn moeder. Ik weet niet meer precies wat ik zei, maar wel dat de juf het daar bij liet. En toen ik veertien was, sprak een leraar me aan – midden in de klas, waar iedereen bij was. Hij had het idee had dat er iets mis was met me. Ik schrok enorm en ontkende alles.

Ze voelden het allebei goed aan, die docenten, maar hadden het beter kunnen aanpakken. Nu denk ik: als je je zorgen maakt om iemand, benader die persoon dan discreet. Leg rustig uit waarom je je zorgen maakt, en laat pas los als duidelijk is dat er niets mis is.

Op de middelbare school voelde ik me eenzaam. Ik hoorde er niet bij. Buiten school zocht ik daarom oudere types op, die me wel accepteerden. Op mijn veertiende had ik al een vriendje van negentien, dronk ik alcohol en kwam ik in aanraking met blowen, XTC en speed. Die laatste drug maakte me losser: even kon ik makkelijk contact maken met anderen. Maar zodra de roes uitwerkte voelde ik me depressief en waardeloos.

Mijn ouders lieten me in alles begaan, mede doordat mijn broer zoveel zorg van hen vroeg. Destijds vond ik dat lekker, achteraf had ik meer begeleiding en steun kunnen gebruiken In die periode begon ik ook te somberen, over mezelf, over school, over de zin van het leven en sliep ik steeds slechter. Ik raakte zo onbewust steeds verder verwijderd van de mensen om me  heen, zonder dat iemand het doorhad

Op mijn negentiende sloeg het in één nacht om: ik ineens was de grip op de realiteit kwijt. Een allesoverheersende angst nam bezit van me. Alsof of een kracht van buitenaf mijn lichaam binnendrong, en alsof ik zelf uit mijn lichaam trad.

Het bleek een psychose, maar op dat moment begreep ik er niets van. Ik was doodsbang dat mijn leven volstrekt zinloos zou zijn, en die angst duwde me over de rand. Van binnen ging álles mis, maar ik kon aan niemand uitleggen wat er aan de hand was.

Ik herinner me flarden van die periode. Zo was ik er op een gegeven moment van overtuigd dat ik dood was. Ik zag mezelf in een kist liggen en kon geen spier meer bewegen. Een andere keer voelde het alsof ik regelrecht de hel werd ingesleurd. Ik dacht dat mijn vriend iets met die duivelse krachten te maken had, en ik ben hem in paniek met al mijn kracht te lijf gevlogen. Maar niemand dat dit ik de weg kwijt was geraakt.

Want mijn leven ging ogenschijnlijk door. Buitenshuis wist ik te blijven functioneren. Ik maakte mijn toetsen, maar in plaats van de antwoorden op te schrijven, krabbelde ik soms verzonnen verhalen op. Ik heb wel een paar keer geprobeerd duidelijk te maken dat het slecht ging. Mijn moeder is nog naar de huisarts gegaan. Die schreef, zonder de moeite te nemen mij zelf te zien, kalmerende medicijnen voor. Maar van die pillen werd ik alleen maar suffer in mijn hoofd. En de stagebegeleider bij mijn opleiding sociaal pedagogisch werk had me doorverwezen naar het maatschappelijk werk, omdat ik me soms raar gedroeg, maar ook dat leidde niet tot concrete hulp. Ondertussen werd ik angstiger en angstiger.

Tien maanden gingen voorbij, van het begin van mijn psychose tot het moment dat ik dacht: ik kan niet meer.

De directe aanleiding tot die crisis was raar genoeg dat ik een eigen woning toegewezen kreeg. Maar ik was nét twintig en er absoluut niet klaar voor. Ik at slecht, sliep slecht, had relatieproblemen, miste elke vorm van zingeving en was doodop door die maandenlange psychose. Het was een optelsom van problemen.

Er knapte iets in me. Ik dacht: ik ben zó moe. Ik ben alleen nog gelukkig als ik slaap. Het liefst zou ik nooit meer wakker worden. Ik haatte mezelf inmiddels en was ervan overtuigd dat iedereen beter af was zonder mij. Ik kon net zo goed dood zijn. Dat was het enige waar ik nog aan kon denken. Pas veel later besefte ik de werkelijke kern: ik wilde niet dood, ik wist gewoon niet hoe te leven.

Op een kille ochtend in het najaar van 1996 gebeurde het. Ik was alleen en had de sleutel van mijn nieuwe, lege huis. Een gedachte schoot door mijn hoofd: ik weet een dodelijk middel te vinden. Die gedachte sloeg om in een plan, of eigenlijk een kans. Ik had een huis waar niemand me zou storen, en ik had de middelen. Dat was genoeg.

Die ochtend ben ik opgestaan terwijl de rest van de wereld naar werk of school vertrok. In plaats daarvan ging ik naar mijn nieuwe huis. Ik weet nog zo goed dat ik compleet vastbesloten was. En kalm. Hier kan ik het doen. Hier ziet niemand me. Dit wordt het moment worden waarop ik alles afsluit.

Die dag heb ik alles gedaan om mijn zelfdoding te laten slagen. Bizar genoeg voelde ik daarbij geen enkele pijn – zozeer moet ik afgesloten van mijn lichaam zijn geraakt. Uiteindelijk lukte het me niet, want ik werd op tijd gevonden. Gelukkig.

Zwaar gewond kwam ik bij op de Intensive Care. Er schoot één besef door me heen: ik leefde nog. Een gevoel van falen en schaamte overviel me. Hoe kan het dat zelfs dit me niet is gelukt?  Af en toe kwamen er verpleegkundigen langs mijn bed. Ze controleerden  het infuus, vertrokken zonder veel te zeggen. Niemand praatte met me over wat er was gebeurd. Vroeg het ging.  Waarom ik dood wilde. Ik weet dat het nu beter is geregeld, maar ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld als toen.

Na een paar dagen werd ik overgebracht naar de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis, de PAAZ. Daar kreeg ik voor het eerst in een diagnose te horen: bipolaire stoornis en psychose. Zoals ik het begreep: je hebt nu een label, je hebt pillen, dat blijft de rest van je leven zo. Ik voelde me officieel voor gek verklaard: een normaal leven zat er niet meer in.

Toen ik na enkele weken uit de PAAZ ontslagen werd, begon ik mijn nieuwe woning –geen vloerbedekking, geen bed, geen stroom en water – aan een onzekere toekomst. Ik besloot bovendien na een tijdje om mijn verhaal verborgen te houden. De paar keer dat ik wél open was geweest, kreeg ik vooral negatieve reacties. Zo wilde mijn stagebegeleider me niet meer alleen voor de groep hebben, wat ik ergens wel snapte. Maar het was ook een zelfbevestiging: zie je wel, ik deug niet. Ik stond weleens bibberend in de rij bij de kassa, doodsbang dat iedereen ‘het’ aan me kon zien.

Na een jaar stopte ik – tegen doktersadvies in – op eigen houtje met de antidepressiva en lithium. Ik weet nu dat dat levensgevaarlijk is, omdat je zonder goede afbouw zomaar weer in een diepe depressie kunt raken, maar destijds voelde het als mijn enige optie. Maar ik wilde écht leven, niet gevoelloos door het leven gaan vanwege de pillen.

Wat mij het meest heeft geholpen, is dat ik weer dingen mócht voelen van mezelf. Ik ben sociologie gaan studeren en dat gaf me, omdat ik me er met grote zingevingsvragen en maatschappelijke thema’s mocht bezighouden, een nieuw doel. Ik beëindigde mijn relatie, die mijn psychose en de suïcidepoging had overleefd, maar waarin ik niet kon groeien.

Daardoor kwam er ruimte voor een gevoel waar ik jarenlang niet durfde naar te kijken: ik val op vrouwen. Ik ontmoette niet veel later mijn huidige partner, met wie ik twee kinderen heb gekregen. Via haar en via de GGZ kwam ik in aanraking met de roze hulpverlening. Psychische hulp speciaal voor LHBT’ers. In die groep kwam ik vrouwen tegen met vergelijkbare levensverhalen, alleen – en dat vond ik belangrijk – zij hadden geen zelfmoordpoging gedaan. Dat liet mij zien: ik ben niet de enige die zo worstelt, ik ben níet gek, ik heb alleen iets stoms gedaan.

Tot op de dag van vandaag heb ik ups en downs. Daarom volg ik nu individuele therapie bij een fijne psycholoog. Die begeleiding had ik rond mijn twintigste, ook wel willen hebben. Maar misschien had ik toen achterovergeleund en gedacht: los het maar op. Nu ben ik zelf actief aan de slag. Ik leer stap voor stap om niet alleen vanuit mijn verstand te reageren, maar ook door echt te gaan voelen. Dat levert betere beslissingen op en maakt me gelukkiger.

Een paar jaar geleden, bijna 25 jaar na mijn poging, kwam de echte ommezwaai. Inmiddels werkte ik als hulpverlener in een sociaal wijkteam. Daar zag ik dagelijks mensen met psychische problematiek die míj bekend voorkwam. Toch zweeg ik over mijn eigen achtergrond. Ik wist niet goed hoe ik mijn ervaringen nuttig kon maken, en eerlijk gezegd durfde ik het ook niet. Tot ik letterlijk werd stilgezet door mijn lichaam: ernstige gewrichtsontstekingen. Ik kon niet werken, nauwelijks bewegen. De fysieke aanleiding werd niet gevonden, waardoor ik bedacht dat het zou kunnen komen doordat ik mijn verleden onderdrukte. Die periode van gedwongen rust greep ik aan om dat onder ogen te komen. Ik besloot: ik ga iets doen met mijn ervaring. Hoe eng het ook was, ik wilde mijn verhaal niet langer verstoppen, maar inzetten om anderen te helpen.

Ik meldde me aan bij TEAM ED. Een sociaal uitzendbureau dat ervaringsdeskundigen (iemand die eigen psychische ervaringen als expertise leert inzetten) inzet om de dienstverlening in de geestelijke gezondheidszorg te verbeteren. Met mijn verhaal en kennis help ik anderen die soortgelijke mentale problemen hebben. Ook geef ik voorlichting en training aan professionals, over bijvoorbeeld empathie en communicatie met cliënten. En ik doe dit werk ook voor mezelf: elke keer dat ik mijn ervaring inzet, heel ik weer een stukje.

Ik heb vaak gedacht: had ik die zelfmoordpoging maar nooit gedaan. Dan was mijn weg van mentaal herstel veel makkelijker geweest. Maar ik leef nog, ik leef écht – en ik gebruik mijn tweede kans nu om iets goeds te doen. Dan kan het tenminste betekenis hebben.”

Elk jaar overlijden wereldwijd meer dan 700.000 mensen door suïcide — ongeveer 1 persoon elke 40 seconden. Komende week is het Wereld Suïcide Preventie Week, een wereldwijd initiatief voor het vergroten van bewustzijn over suïcide. wspw.nl. Walk into the Light organiseert door het hele land zonsopgangswandelingen, als steunmoment voor nabestaanden en mensen met suïcidegedachten. walkintothelight.nl
Via de Nederlandse Vereniging voor Zelfregie en Herstel, een landelijk netwerk van organisaties met ervaringsdeskundigen, kun je zonder afspraak terecht op een plek waar je met lotgenoten, onder begeleiding, aan je mentale herstel kunt werken. TEAM ED is er deel van. nvzh.nl
Denk jij aan zelfdoding? Neem 24/7 gratis en anoniem contact op met 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of chat op 113.nl.

Plaats een reactie

Maak een website of blog op WordPress.com

Omhoog ↑